FR | NL
Home | Over Vax Info | Links | Contacteer ons

Diverse onderwerpenprint

Vaccinatiegraad van zuigelingen in Wallonië

gepubliceerd op woensdag 7 december 2016

Bij gebrek aan een gecentraliseerd vaccinatieregister zijn enquêtes naar de vaccinatiegraad de beste methode om de efficiëntie van een vaccinatieprogramma te meten. In de loop van 2015 werd de vaccinatiegraad van zuigelingen tussen 18 en 24 maanden in Wallonië voor de tiende keer onderzocht.

Dergelijke enquêtes gebeuren sinds 1989 om de drie jaar.
Belangrijkste doelstelling van deze studies is om de vaccinatiegraad per vaccin en per ziekte in kaart te brengen. Op basis hiervan kan men inschatten hoeveel kinderen beschermd zijn tegen infectieziekten die door vaccinatie kunnen vermeden worden. Door de vaccinatiegraden van de bevolking te vergelijken met de verschillende kritische immuniteitsdrempels kan men ook de groepsimmuniteit inschatten en nagaan of de bevolking voldoende beschermd is tegen deze infectieziekten.
Een van de doelstellingen van deze enquêtes is ook om na te gaan of bepaalde bevolkingsgroepen ondergevaccineerd zijn. Op basis van deze studies worden aanbevelingen geformuleerd, zowel voor het beleid als voor de vaccinatoren, om het vaccinatieprogramma te verbeteren en efficiënter te maken.

Methodologie

De enquête is gebaseerd op een clustersteekproef (cluster-sampling) met de gemeente als cluster, met per gemeente een steekproef in verhouding tot het aantal inwoners. Voor de enquête 2015 werden 55 clusters van elk 13 kinderen weerhouden. Voor grote gemeenten zoals Luik en Charleroi werden meerdere clusters geselecteerd (3 of 4). Uiteindelijk werden 630 contacten gelegd (88,40 %) en werden 562 enquêtes aanvaard (89,20 %) en 546 vaccinatiedocumenten geraadpleegd. De ouders werden thuis mondeling ondervraagd. (1).

Resultaten

Vaccinatiegraad en type vaccins

Het aanbevolen vaccinatieschema van de Fédération Wallonie - Bruxelles (FWB) omvat sinds 2010 toediening van 9 vaccindosissen verdeeld over 5 consultaties.

Tabel 1. Vaccinatieschema FWB
Schema Consultatie Vaccin
op 8 weken 1 DTPa-IPV-Hib-VHB1 + Pneumo1 + (Rotavirus)
op 12 weken 2 DTPa-IPV-Hib-VHB2 + (Rotavirus)
op 16 weken 3 DTPa-IPV-Hib-VHB3 + Pneumo2 + (Rotavirus)
op 12 maanden 4 RRO + Pneumo3
op 15 maanden 5 DTPa-IPV-Hib-VHB4+ MénC

Al deze vaccins worden gratis verspreid en ter beschikking gesteld door de FWB. Alleen het vaccin tegen rotavirus is niet gratis, maar wordt wel gedeeltelijk terugbetaald.

Tabel 2 geeft een overzicht van de vaccinatiegraad voor elke vaccindosis op het aanbevolen tijdstip en met de gratis ter beschikking gestelde vaccins. Hieruit blijkt dat meer dan 98 % van de kinderen de eerste dosis van het hexavalente vaccin hebben gekregen en meer dan 97 % de eerste dosis van het pneumokokkenvaccin.
Voor de vaccins tegen rotavirus werd driekwart gevaccineerd met Rotarix, een kwart met Rotateq.

Tabel 2. Vaccinatiegraad volgens vaccintype in FWB
Vaccin 1e raadpleging 2e raadpleging 3e raadpleging 4e raadpleging 5e raadpleging
8 weken 12 weken 16 weken 12 maanden 15 maanden
Hexavalent 98.8 (98.0-99.8) 98.5 (97.5-99.5) 98.2 (97.0-99.3) 92.3 (90.1-94.5)
Pneumokokken 97.6 (96.3-98.9) 96.9 (95.4-98.3) 92.9 (90.7-95.0)
MBR 95.6 (93.9-96.4)
Méningokokken 91.2 (88.8-93.6)
Rotarix® 69.0 (65.2-72.9) 67.0 (63.1-71.0)
Rotateq® 21.2 (17.8-24.7) 20.3 (17.0-23.7) 20.1 (16.8-23.5)
Totaal Rotavirus 87,1

Bijna 87 % van de kinderen ontving de negen aanbevolen dosissen, iets minder dan 80 % kreeg het volledige schema, inclusief het vaccin tegen rotavirus.

Heel weinig kinderen ontvingen een afwijkend schema. Zo kreeg minder dan 1 % een tetravalent vaccin plus Hib, IPV en hepatitis B.

De bereikte beschermingsgraad in Wallonië ligt dicht bij de doelstellingen van de Wereldgezondheidsorganisatie en stemt overeen met wat in de literatuur wordt gevonden.

Vaccinatoren

Bijna 55 % van de zuigelingen wordt gevaccineerd door de ONE (equivalent van Kind & Gezin). De andere vaccinatoren zijn pediaters (± 35%), ziekenhuizen (± 5%) en huisartsen (± 5%). Ook voor Rotarix geldt ongeveer eenzelfde verdeling. Voor Rotateq daarentegen zien we dat dit vaccin vooral gebruikt wordt in ziekenhuizen en in private praktijken.

Tijdstip van vaccinatie

Een verwaarloosbaar aantal kinderen (0,6 %) ontvangt het hexavalent vaccin te vroeg (vóór de leeftijd van 8 weken), op een ogenblik dus dat het immuunantwoord niet optimaal is.
Bij minder dan 4,5 % van de kinderen worden de aanbevolen intervallen tussen de drie eerste dosissen niet gerespecteerd.
De mediane leeftijden waarop de drie dosissen hexavalent vaccin worden toegediend, ligt hoger dan de aanbevolen leeftijden. Dit uitstel is cumulatief: indien de eerste dosis één week te laat wordt toegediend, dan wordt de derde dosis drie weken te laat toegediend. De mediane en gemiddelde leeftijden voor de vierde dosis zijn vergelijkbaar.

Er bestaat een verschil tussen de minimumleeftijd waarop het vaccin mag toegediend worden en de aanbevolen leeftijd. De minimumleeftijd slaat op de leeftijd waaronder het vaccin niet optimaal beschermt. Dit is wetenschappelijk vastgelegd. De aanbevolen leeftijd is de leeftijd die door de overheid wordt vastgelegd in functie van de raadplegingen voor zuigelingen.

De twee eerste dosissen van het pneumokokkenvaccin worden op tijd toegediend (op 8 en 16 weken), met respect voor het aanbevolen interval tussen beide dosissen. We stellen echter vast dat de derde dosis in 8,7 % van de gevallen niet op het aanbevolen tijdstip na de leeftijd van 12 maanden wordt toegediend.

Respect van de vaccinatiekalender

Uit figuur 1 blijkt dat bijna 65 % van de kinderen de eerste dosis van het hexavalent vaccin ontvangen op de aanbevolen leeftijd (tussen 8 en 10 weken) en dat minder dan 7 % het vaccin met meer dan 4 weken vertraging (dus na 12 weken) krijgen. Een kwart van de kinderen krijgt het vaccin met een kleine vertraging. Die vertraging kan later echter niet ingehaald worden omdat de aanbevolen intervallen tussen twee dosissen moeten gerespecteerd worden. Het risico bestaat dus dat de volgende vaccins steeds later toegediend worden.

Figuur 1. Leeftijdsverdeling (%) van de eerste en derde dosis hexavalent vaccin

PNG - 27.5 kB
Figuur 1

Het aantal kinderen dat de derde dosis van het hexavalent op het aanbevolen tijdstip ontvangt, ligt dan ook veel lager dan bij de eerste dosis: slechts 22 % van de kinderen krijgt de derde dosis op de aanbevolen leeftijd van 16 tot 18 weken, 42 % ontvangt het vaccin 2 tot 4 weken te laat en meer dan 35 % zelfs meer dan 4 weken te laat.

We stellen dezelfde vertragingen vast bij het pneumokokkenvaccin.
Door deze vertraging zijn de kinderen te laat optimaal beschermd tegen invasieve infecties zoals Hib en pneumokokken en tegen kinkhoest.

Gelijktijdige toediening van vaccins

Volgens het aanbevolen vaccinatieschema worden tijdens eenzelfde raadpleging meerdere vaccins toegediend. Bij elke toediening van een dosis van het hexavalent vaccin wordt bijvoorbeeld ook gevaccineerd tegen pneumokokken of rotavirus.
Tijdens de eerste raadpleging kreeg 91,5 % van de kinderen de twee voorziene vaccins (hexavalent en pneumokokken). Dat verminderde tot 66,7 % bij de vijfde raadpleging (hexavalent en meningokokken).
De kans dat de vaccins tegelijk toegediend worden, ligt hoger bij de raadplegingen van de ONE dan bij privé-raadplegingen (96,1 % tegenover 88,6 % voor de eerste raadpleging, 71,9 en 62,7 % voor de laatste raadpleging).

Weigering van vaccinatie

Ongeveer 2 % van de ouders weigert om hun kinderen te laten vaccineren. Bij het vaccin tegen rotavirus, dat niet gratis is, gaat het om ongeveer 2,5 tot 5,7 % van de kinderen, bij het vaccin tegen meningokokken loopt dit verrassend op tot 2,7 à 3,9 % van de kinderen. Hetzelfde fenomeen zagen we ook in 2012.
Uit een studie uit 2012 in Brussel bleek dat ouders die bepaalde aanbevolen vaccins weigerden, meestal beter opgeleid waren (hoger onderwijs of universiteit), een hoger inkomen hadden, meestal van Belgische oorsprong waren en hun kinderen naar een of andere vorm van kinderopvang stuurden.
Meestal worden deze afwijkende vaccinatieschema’s uitgevoerd in privé-praktijken.
Gezien het beperkt aantal ouders dat alle vaccinaties weigert, is het moeilijk om hun profiel te schetsen. Maar uit Amerikaanse studies blijkt dat dit profiel vergelijkbaar is met de ouders die het aanbevolen schema niet volgen. Bij de ouders die wel starten met het aanbevolen schema maar het niet afmaken, zien we dan weer meer sociaal zwakke gezinnen.

Sociaal-economische variabelen

Globaal genomen zijn kinderen die opgevolgd worden door ONE beter gevaccineerd dan andere zuigelingen. Dit blijkt uit alle enquêtes, ook in Brussel (4,7). Dat geldt vooral voor de vaccins die vóór de leeftijd van 12 maanden moeten toegediend worden. Voor de vaccins die later worden toegediend (derde dosis pneumokokken, vierde dosis hexavalent en MBR) zien we dat de vaccinatiegraad daalt bij kinderen uit families zonder vast inkomen, met een vervangingsinkomen of slechts één inkomen uit arbeid. Dat geldt ook voor het vaccin tegen rotavirus. De vierde dosis van het hexavalent vaccin daalt bij kinderen met een allochtone moeder.
De kans om volledig gevaccineerd te worden (9 dosissen) ligt het laagst bij kinderen met een thuiswerkende moeder (79 % tegenover 88 % bij werkende moeders). Ook bij kinderen uit families zonder vast inkomen, met een vervangingsinkomen of slechts één inkomen uit arbeid, ligt de volledige vaccinatie gemiddeld 10 % lager.
Ook als de sociaal-economische gezinssituatie geen impact heeft op de eerste vaccins (vóór de leeftijd van 12 maanden) dan heeft die gezinssituatie dus wel een impact op de latere vaccins.
De belangrijkste redenen voor een onvolledig vaccinatieschema zijn ziekte op de voorziene vaccinatiedag, vergetelheid of tijdsgebrek. Het gaat dus niet om een bewuste vaccinatieweigering. Dit kan vrij gemakkelijk verholpen worden door bijvoorbeeld een betere dienstregeling of het versturen van een herinnering.
Het feit dat er geen sociaal-economische verschillen bestaan voor de vaccins die vóór de leeftijd van 12 maanden worden toegediend, toont aan dat het vaccinatieprogramma efficiënt is in de strijd tegen sociale ongelijkheid. Dat er bij oudere kinderen wel een achterstand optreedt, toont dan weer aan dat verdere inspanningen nodig zijn om deze kinderen te bereiken.

Besluit

Twee belangrijke vaststellingen uit deze studie zijn:
• de noodzaak om kinderen tijdens hun tweede levensjaar beter op te volgen, en dan vooral kinderen uit sociaal zwakkere groepen;
• de noodzaak om ouders beter te informeren om twijfels over vaccinaties te verhelpen.

Samenvatting

Uit de driejaarlijkse vaccinatiegraadstudie in Wallonië blijkt dat 98,8 % van de zuigelingen de eerste dosis en 93,2 % de laatste dosis van het hexavalent vaccin (DTPa - IPV - HBV - Hib) hebben gekregen. Vooral kinderen uit lagere sociale groepen hebben een grotere kans om niet alle vaccins te ontvangen. 86,4 % van alle kinderen kreeg het volledig aanbevolen vaccinatieschema (met 9 dosissen toe te dienen op vijf consultaties) dat beschermt tegen 11 ziekten. Een belangrijk deel van de kinderen wordt echter niet op de aanbevolen tijdstippen gevaccineerd, waardoor ze minder of minder snel een optimale immuniteit verwerven.

Emmanuelle Robert*, PhD; emrobert ulb.ac.be, École de Santé Publique, Centre de recherche « Epidémiologie, biostatistiques et recherche clinique ». Université Libre de Bruxelles, Route de Lennik, 808, 1070 Bruxelles, Belgique.
Béatrice Swennen°, MD, MPH; bswennen ulb.ac.be, École de Santé Publique, Centre de recherche « Politiques et Système de santé, santé internationale ». Université Libre de Bruxelles, Route de Lennik, 808, 1070 Bruxelles, Belgique.



Bronnen

1. Robert E, Swennen B. Enquête de couverture vaccinale des enfants de 18 à 24 mois en Fédération Wallonie-Bruxelles (Bruxelles exceptée) - 2015. Provac, Ecole de santé publique, ULB; 2015.
2. Anderson RM. The concept of herd immunity and the design of community-based immuniza-tion programmes. Vaccine. 1992;10(13):928‑35.
3. Samad L, Tate AR, Dezateux C, Peckham C, Butler N, Bedford H. Differences in risk factors for partial and no immunisation in the first year of life: prospective cohort study. BMJ. 2006;332(7553):1312‑3.
4. Robert E, Dramaix M, Swennen B. Vaccination Coverage for Infants: Cross-Sectional Studies in Two Regions of Belgium. BioMed Res Int. 2014;2014:e838907.
5. Robert E, Swennen B. Enquête de couverture vaccinale des enfants de 18 à 24 mois en Région de Bruxelles-Capitale. Ecole de Santé Publique, ULB; 2012.
6. Smith PJ, Humiston SG, Marcuse EK, Zhao Z, Dorell CG, Howes C, et al. Parental Delay or Refusal of Vaccine Doses, Childhood Vaccination Coverage at 24 Months of Age, and the Health Belief Model. Public Health Rep. 2011;126(Suppl 2):135‑46.
7. Robert E, Swennen B. Impact de la protection maternelle et infantile sur la vaccination à Bruxelles. Rev d’épidémiologie Santé Publique. 2012;60:S82‑3.


Abonneer u op de nieuwsbrief